The dark is my delight
Thomas Morley’s Consort Lessons (1599)
The Walsingham Consort Books (1588)

Daniels Almain D. Bachiler
The Lady Frances Sidney’s Almain R. Allison
Now is the month of May T. Morley
Eliza is the fairest Queen E. Johnson
The Lord Souches Maske T. Morley
Pavan Dolorosa R. Allison
James Harding’s Galliard J. Harding
The Flat Pavan Anonymous
The dark is my delight Anonymous
Goe from my window R. Allison
Reade’s Almain A. Holborne/R. Reade
Joyne hands T. Morley
Of all the birds that I do know Anonymous
Tarleton’s Jig Anonymous
Daniels Trial D. Bachiler
Fortune my foe Anonymous
Now, O now, I needs must part T. Morley/J. Dowland
When Daphne from fair Phoebus did fly Anonymous
The Jew’s Dance R. Nicholson
When May is in his prime Anonymous
LA CACCIA
Susan Hamilton soprano
Liam Fennelly treble viol
Patrick Denecker recorder
Thomas Baeté bass viol
Philippe Malfeyt lute
Frank Liégeois cittern
Wim Maeseele bandora
Guy Penson virginal
‘The Dark is my Delight’
Uitgegeven instrumentale muziek was rond het jaar 1600 in Engeland, evenals elders in Europa zeer schaars. Een van de opvallendste, maar vaak vergeten bronnen is Thomas Morley’s ‘First Booke of Consort Lessons ‘. Van deze collectie zijn twee drukken verschenen, een eerste in 1559 en een tweede postuum in 1611.
Het samenvoegen van de verschillende partbooks die nu verspreid liggen over tal van bibliotheken in Amerika en Engeland geeft ons een idee van de aan het Elisabethaanse Hof zo geliefde sound van het zogenaamde Broken Consort.
In het typische Broken Consort vindt men de combinatie van Treble Viol, Flute, Bass Viol, Lute, Cittern en Bandora: een aantrekkelijk ensemble dat veel plaats biedt voor improvisatie. Op het einde van de 16e eeuw werd dit de standaardbezetting.
In onze tijd verstaat men onder ‘Broken Consort’ een ensemble, samengesteld uit instrumenten van verschillende families, bijvoorbeeld gamba’s met blokfluiten. Tegenwoordig wordt de term ‘mixed consort’ ook wel gebruikt. De tegenhanger van dergelijk gemengd ensemble is een ‘whole consort’, wat staat voor een homogeen ensemble van eenzelfde instrumentenfamilie, bijvoorbeeld enkel violen.
Op het einde van de 16e eeuw echter staat het woord ‘broken’ voor het breken of opsplitsen van lange notenwaarden in kleine, beweeglijke figuren, m.a.w. de diminutiepraktijk, de Engelse divisions.
Ook de ‘Walsingham Consort Books’ (1588) zijn een verzameling manuscripten met uitsluitend originele of bewerkte muziek voor deze bezetting. Ze ontlenen hun naam aan het feit dat ze circuleerden in de huishouding van de familie Walsingham. Sir Francis Walsingham was de privésecretaris van Elisabeth I.
Het broken consort leende zich tot vrijwel elke muziekvorm die beoefend werd aan het Elisabethaanse Hof. Naast de originele stukken die speciaal voor deze bezetting gedacht waren, werden volksmelodieën, hofdansen, country dances, grounds maar ook madrigalen en canzonetten met het grootste gemak aangepast.
Dat de kleurrijke sound van dit consort zeer geliefd was, bewijzen verschillende uitspraken en getuigenissen en beschrijft deze in poëzie als ‘the heavenly consort’, ‘the heavenly noyse’ en ‘the celestial harmony’.
Een standaardbezetting impliceert echter niet dat er geen wijzigingen mogelijk waren. Soms werd de discantgamba vervangen door de viool, de blokfluit door de fluit, de pandora door het virginaal. Ook zijn er voorbeelden van consorts waar een of meer instrumenten weggelaten werden. Het is niet ondenkbaar dat Queen Elisabeth zelf op sommige momenten zou geparticipeerd hebben aan muzieksessies, zij was namelijk een voortreffelijke virginaliste.
We hebben hier dus te maken met een uiterst flexibel consort waar doorgaans twee instrumentengroepen tegenover elkaar geplaatst worden, enerzijds de tokkelinstrumenten (luit, cister, pandora) en anderzijds de melodie-instrumenten (gamba’s en fluit).
Patrick Denecker