De liedboekjes van Dorothea
Tore Denys, tenor
Wim Maeseele, lute
Thomas Baeté, Liam Fennelly, viola da gamba
Bernhard Stilz, Peter De Clercq, Patrick Denecker, recorders
Von anfang her, hat gottes ehr M. Kugelmann
O weiblich art H. Isaac
Zu Königsperg in der werde Stadt P. Kugelmann
Den ewigen Gott L. Senfl
Den ewigen Gott sei Lob und Dank H. Kugelmann
Ach, Unfalls Neid M. Wolff
Mag ich Unglück nit widerstahn L. Senfl
Das erst Priamell H. Judenkünig
Rossina ain welscher dantz und nach tantz
Ain niderlendisch runden dantz
Der Hund mir vor dem licht umgaht H. Isaac
Tandernac L. Senfl
Ungnad’ begehr’ ich nit von ihr L. Senfl
Mein vleÿss und mue L. Senfl
Albrecht mirs schwer und gross leid L. Senfl
In Lieb’ und Freud’ L. Senfl
In Lieb und Freud H. Kugelmann
Kunnt’ich, schöns reines wertes Weib L. Senfl
Forma decens mores-Alles in Ehren A. Willaert
Zucht er und Lob (after P. Hofhaimer) H. Judenkünig
Un säglich Schmerz L. Senfl
Nun lob mein Seel den herren H. Kugelmannn/J. Poliander
Albrecht van Brandenburg-Ansbach (1490-1568) - laatste grootmeester van de Duitse Orde en daarna hertog van Pruisen - en zijn echtgenote Dorothea, zus van de Deense koning Christian III, zijn de protagonisten van dit concertprogramma. Hun hertogelijke residentie in de stad Königsberg (vandaag Kaliningrad) kon pronken met een rijk en goed georganiseerd muziekleven. Hertog Albrecht was de gededicaceerde van talrijke muziekuitgaven, had als dichter van liedteksten zelf artistieke aspiraties en was een gulle mecenas die voortdurend in contact stond met de beste musici en componisten van zijn tijd; hij kan op z’n minst een enthousiast muziekliefhebber, maar nog eerder een belangrijke schakel binnen de Oost- en Noord-Europese muziekgeschiedenis worden genoemd.
In dit concert staat vooral Albrechts eerste echtgenote centraal: Dorothea Oldenburg (1504-1547), hertogin van Pruisen en prinses van Denemarken en Noorwegen. Uit haar bezit stamt een uitzonderlijke muzikale schat die via de Herzogliche Bibliothek Wolfenbüttel, de Franse wetenschapper F. L. Perne (1772-1832) en de Belgische musicoloog François-Joseph Fétis terechtkwam en bewaard bleef in de Koninklijke Bibliotheek van België als MS II 3843: een vierkant, houten kistje met de inscriptie ‘V(on) G(ottes) G(enaden) Dorothea’, dat 5 stemboekjes bevat. Deze stemboeken hebben nog hun originele bruinlederen band, dragen stemaanduidingen als opschrift en zijn gedecoreerd met medaillons en florale motieven.
Ze bevatten een handgeschreven verzameling liederen die aan het hof te Königsberg (en Kopenhagen) - en waarschijnlijk in het bijzonder door Dorothea zelf - erg geliefd moeten zijn geweest. Het kleinood is in zeer goede staat bewaard gebleven; mogelijk werden de boekjes binnen de huiselijke kring van de hertog en hertogin van Pruisen gebruikt om eruit te musiceren, of fungeerden ze als schatkamer: als een kluis vol muzikale juwelen die slechts af en toe werd geopend.
De boekjes werden rond 1545 vervaardigd door Melchior Kugelmann - trompettist in de hofkapel van Königsberg tussen 1540 en 1548 - en bevatten een groot aantal werken die zijn opgedragen aan leden van het Deense koningshuis en het hof van Pruisen.
De composities, allemaal Duitse profane en religieuze liederen, zijn van de hand van Heinrich Isaac (O weiblich art, Der Hund), Melchior Kugelmann (Von anfang her, hat gottes her), Ludwig Senfl (Mag ich Unglück nit widerstahn, Ungnad’ begehr’ ich nit von ihr, Mein vleÿss und mue, Kunnt’ich, schöns reines wertes Weib), Adrian Willaert (Forma decens more), Thomas Sporer, Johann Kugelmann en Thomas Stoltzer. Daarnaast bevatten de bundels 8 liederen zonder toeschrijving.
Met 5 liederen in de verzameling van Dorothea, behoort Ludwig Senfl (ca. 1486-1543) tot de sterkst vertegenwoordigde componisten in deze collectie. Het is bekend dat Senfl, algemeen erkend als een van de beste liedcomponisten van zijn tijd, een levendige correspondentie voerde met Hertog Albrecht. Albrecht zou ook enkele gedichten hebben geschreven die het tekstmateriaal leverden voor een aantal van deze liederen.
Componist Hans Kugelmann en samensteller van Dorothea’s muziekverzameling Melchior Kugelmann, hadden nog een muzikale broer: Paul Kugelmann, die vanaf 1548 actief was als trompettist aan het hof te Königsberg en tussen 1549-1553 en 1575-1580 de functie van eerste trompetter vervulde. Hij componeerde zelf voornamelijk Duitse liederen, die in diverse verzamelingen zijn opgenomen; hij publiceerde in 1558 zelf de collectie Etliche teutsche Liedlein, geistlich und weltlich met daarin 121 polyfone liederen. De bundel bevat composities van Pauls broer Hans Kugelmann, negen liederen werden gecomponeerd door Melchior Kugelmann en 88 werken in de verzameling (waaronder Ach Baurenknecht lass Röslein stan, Ach Frewlein zart, Zu Königsperg in der werde Stadt en Ich schwing mein horn ins jamerthal) zijn van de samensteller zelf.
Met de religieuze liederen op dit programma wordt de private devotie van een bijzondere vrouw en ardente kunstmecenas herschapen. Dat zij zich op het snijvlak van twee religies en in het brandpunt van de 16de-eeuwse geloofsstrijd bevond, geeft haar persoonlijke geloofsbeleving een geheel eigen gezicht: met een echtgenoot die van oppermachtige katholieke veldheer en vertrouweling van de paus, een compleet nieuwe weg insloeg onder invloed van de ideeën van Luther en Poliander, en een hof dat na de secularisatie van het hertogdom Pruisen muzikaal geëvolueerd was naar het protestantse liedrepertoire in de volkstaal, is haar muzikale erfenis een bescheiden, maar bevoorrechte getuige van een van de sleutelmomenten uit de religiegeschiedenis.
Patrick Denecker & Sofie Taes